‘Stil in mij’, een vertelling door Sumi Kasiyo

Het was de zonnige allerlaatste dag in mei 1992 toen ik hem voor het eerst zag. Hij kwam op zijn mountainbike aanfietsen in zijn knalroze legging. Zijn beeld weerkaatste op het water van de brede sloot tussen de weilanden. Die eerste indruk hou ik altijd bij mij. Fred was zeventien, ik een jaar ouder. Toen nog wel. 

Hij leek uit elkaar te springen van energie en keek me aan met een open, warme blik. Zijn vrolijkheid en liefdevolle houding trok ik me als vrouw heel erg aan, zeker die dag. Ik zat niet lekker in mijn vel in die tijd en hij was wie ik nodig had. Mijn type was hij niet, maar zijn onbevangenheid weekte de harde schil die ik om mij heen gekweekt had.

Hij ging bedrijfskunde studeren in Deventer, ik interieur architectuur aan de kunstacademie in Kampen. De liefde overleefde onze studies en in 2000 gingen we samenwonen. In Deventer kochten we ons eerste huis, een statige jaren ’30 hoekwoning. 

Toch miste ik de Friese weidsheid waar ik opgegroeid was, de mensen, het familiegevoel. Op 21 juli 2000 zijn we getrouwd, een paar jaar later openden we interieurwinkel Grandeur aan de gracht, in Heerenveen. 

 Als Indo ik kwam op mijn zesde naar Friesland heb ik een zesde zintuig, een stille kracht die ons kwetsbaar maakt. Mijn adoptievader zei vroeger wel eens: ‘Heb je haar weer te janken.’  

Mijn moeder had ook een keiharde opvoeding gehad, maar zij zag mij. ‘Laat haar,’ zei ze dan, ‘Ze moet even bijkomen van iets.’  

Als Fred thuiskwam voelde ik wat er in hem ronddraaide. Na acht jaar huwelijk zei ik tegen hem dat zijn gedrag veranderd was en hij moest stoppen achter mijn rug met andere vrouwen te gaan. Hij schrok en biechtte alles op. Toen pas wist ik het, eerder was het enkel een gevoel geweest. 

Onze relatietherapeute vroeg mij hoe hoog de prijs was die ik wilde betalen voor deze relatie. Die woorden raakten diep in mij iets waarvan ik niet wist dat het er zat. Ik vroeg een echtscheiding aan. We konden elkaar moeilijk loslaten en woonden nog in hetzelfde huis. Op een avond zat hij in onze chaise longue voor het raam, afwisselend naar buiten kijkend en naar mij. Nou komt het, dacht ik. 

‘Ik heb een date,’ zei hij, ‘Volgens mij ben ik biseksueel.’
‘Nee,’ zei ik, ‘Jij bent homoseksueel.’ 

Hij kreeg een wat verlegen halfslachtige lach om zijn mond en ik herkende het licht in zijn ogen dat ik die allerlaatste dag in mei voor het eerst had gezien.  

Vanaf zijn elfde bleek hij het al te weten. Had hij dan niet van mij gehouden? En wat zei dit over mij? Ik stond voor hem, raakte hem net niet aan. Het was niet eerlijk. Niet tegenover mij en niet ten opzichte van hem. Ik stampvoette en met gebalde vuisten praatte ik steeds harder, tot ik schreeuwend voor hem stond. Normaal bleef hij rustig maar hij spiegelde mijn gedrag. Jaren van opgekropte emotie knalden uit hem, voor het eerst liet hij zich gaan. Ik gunde hem dat, maar wil dat nooit meer meemaken. 

Mijn vader zei: ‘Die arme jongen heeft nooit zichzelf kunnen zijn.’ Moet je hem horen, dacht ik. De stugge Friese boer met zijn plattelandsopvoeding wiens dochters niet mochten huilen. Maar hij was oprecht en had gelijk. Zo wilde ik ook zijn: niet veroordelend.  

Dus verklaarde ik het vreemdgaan als zijn zoektocht naar bevestiging dat hij geen gay zou zijn. Daarna zijn mijn ontgoocheling verdriet en boosheid weggetrokken. We waren samen opgegroeid, hadden alles samen meegemaakt. Jaren lang was hij het warme bad waarin ik me ondergedompeld had. Daar uitstappen en de stop eruit trekken kon ik niet. 

Erkennen dat ons huwelijk ondanks de leugen liefdevol was, was de eerste stap naar een leven vanuit het hart. De band tussen ons als man en vrouw hadden we doorgeknipt, maar houden van bleef. We werden beste vrienden en zaten geregeld samen met een drankje op het terras in de zon mannen te keuren. Gearmd liepen we door Heerenveen, had men weer een reden om over ons te roddelen. Allebei gingen we voor ons geluk, maar we bleven elkaar opzoeken. Hij stuurde me weleens een berichtje: “Wat moet ik aan, Duifje? Mijn vriendje heeft geen smaak, jij wel.” Het was een grote opluchting dat ik hem niet volledig los hoefde te laten.  

Ik kreeg een relatie met een man, hij ook. En nog steeds deelde hij zijn geheimen met mij. Over zijn verdriet, zijn vreugde, zijn vriendjes. En over zijn seksleven, wat voor mij net een ietsie pietsie te privé was. 

In 2014 ging ik voor het eerst terug naar mijn moederland Indonesië, samen met mijn toenmalige partner. Voor ik vertrok zei Fred: ‘Mijn mooiste relatie was met jou. Helaas ben jij geen man.’ We hielden zoveel mogelijk contact tijdens de vakantie maar opeens hoorde ik niks meer van hem. Ik voelde hem, altijd, hoever ik ook van hem verwijderd was en maakte me zorgen. 

Thuis gekomen kreeg ik hem op 7 maart 2014 te pakken via Skype. Toen vertelde hij dat zijn vriend het niet kon verkroppen dat hij het uit wilde maken, hem bij de keel gegrepen had en met een mes had bedreigd. Ik wilde meteen naar hem toe, dat hoefde niet van hem. Ik eiste dat hij aangifte ging doen. Dat vond hij niet nodig, zijn vriend had beloofd zich nooit meer zo te gedragen. Ik verklaarde hem voor gek en wilde hem alsnog ophalen. Maar ik negeerde mijn Indo-intuïtie; hij wist zelf het best wat goed voor hem was. 

Lieverd, kon ik je nog maar een keer zien, je even aanraken, een laatste keer met je lachen. Je weet hoe zwaar het me valt dit jaar. Eerst in aanloop naar je sterfdag en nu, een maand later, dit. Iedere dag besef ik hoe sterk onze band was, hoe hecht onze vriendschap en hoe groot onze liefde. De tranen rollen over mijn wangen, die je zo graag kuste. 

Acht jaar geleden is het inmiddels dat je partner jou uit jaloezie vermoordde. Je kent me, ik mis de woorden, dus draai ik Stil in mij, van Van dik hout. Dat nummer heb ik op repeat, maar je weet, mijn leven heeft niet stil gestaan. 

Vanavond beleef ik het allemaal opnieuw. Geweldig hoe je familie me heeft betrokken bij jouw uitvaart ondanks dat we niet meer getrouwd waren. Ik had het langst met jou samengeleefd. Kilo’s lichter voelde ik me nadat ik hun vertrouwen kreeg en de kist mocht uitzoeken: donker grijs met houtnerf. Van binnen bloemetjesstof in rood en paars net als alle bloemen om jou heen. Jij in je antraciet kleurige pak met rode stropdas. Je hoed op de kist toen je uit het zicht verdween. Na de uitvaart leek het alsof het leven uit mij gezogen was. Ik durfde de deur niet meer uit. En wat zeg je tegen iemand in zo’n situatie? Dus niemand bezocht mij op mijn eiland van eenzaamheid. 

Van je familie had ik je lievelingsgympen gekregen. Nadat jij me vanaf boven ingefluisterd had wat jij gedaan zou hebben, heb ik ze aangetrokken en mijn eerste stappen buiten de deur gezet. In het begin een ommetje, later langzaam meer. Voorzichtig kreeg ik mijn bravoure terug. Hoe zag jij mij daar waar jij nu bent? Vrij wilde ik zijn, weer kunnen lachen en liefde voelen. Ik ontliep de plekken waar wij samen kwamen en trok de wereld in. 

Daar zag ik je in alles. Jouw geboortedag vrijdag de 13e, ons geluksgetal werd mijn tafelnummer in het restaurant waar ik in mijn eentje zat. Ik zag iemand lopen in een witte trui met witte letters in reliëf. Geen Fred Perry logo maar jouw naam: Fred. Iemand had een helm op waar op de achterkant een sticker had gezeten. De lijmresten waren nog zichtbaar: Fred. Jij was bij mij die reis. 

Van jou heb ik geleerd hoe ik een beter mens kan zijn. Weet je nog die eerste keer dat ik bij jou thuis kwam? Mijn ouders zijn liefdevolle mensen, maar konden dat niet uiten. Ik wist niet wat ik meemaakte bij jullie. Liefdevol en geduldig, iedereen mocht op elkaar reageren. Ik werd thuis vroeger afgesnauwd en zo reageer ik soms ook. Jij hebt mij geleerd hoe ik liefdevoller om kan gaan met anderen. Mijn botte bijl heb jij van satijn gemaakt. 

Na iets te vaak een kikker te hebben gekust die weigerde in een prins te veranderen zonk de moed mij in mijn schoenen. Ik twijfelde aan alles, wilde een man naast mij om op te leunen. Ook daar denk ik veel aan de laatste tijd.  

Na advies van Marlies, je weet wel, mijn hartsvriendin, begon ik mijn ultieme vent te visualiseren op mijn iPad. Ik verzamelde plaatjes van symbolen van de liefde, van verliefde stelletjes, van aantrekkelijke mannen. De herkenning van mijn gevoel in beeld. Zo verliefd ben ik straks ook, hoopte ik. Met verstand vind je de liefde niet, jij voelt dat net als ik. Daarom heb ik na bijna vijf jaar eenzaamheid mijn verlangen het universum in geslingerd; Ik deelde het hardop met jou. Weet je dat nog? Jij wist wie bij mij zou passen en op wat voor man ik eigenlijk val. 

Jij zorgde ervoor dat op Facebook iemand langs kwam flitsen. Daar denk ik veel aan vanavond, acht jaar en een paar weken na jouw overlijden. Er werden allerlei tonen aangeslagen bij mij: lang haar, dikke lippen, grote spieren. 

Dat hij en ik zo open en vertrouwd kletsten ging vanzelf. Weet je nog dat ik je vroeg of ik hem al kende? En jij zomaar ja zei? Ik had niet door dat, hoewel we elkaar nog nooit ontmoet hadden, hij en ik dankzij ons online contact naar elkaar toe gegroeid waren. 

Naast jou is Tim een van de liefste mannen die bestaan. Een schat van binnen en betoverend van buiten. Iedere dag wrijf ik in mijn ogen of ik droom. Zijn sensuele lippen, zelfs voor een Indonesiër, nog dikker dan de mijne. En zijn grote heldere ogen waarmee hij je zo puur aankijkt. Zoals jij ook ooit deed. Daarom verwar ik af en toe jullie namen. Tim vindt dat oké, ik mag altijd over jou praten. Hij snapt het, jullie betekenen beiden liefde voor mij.  

Jij viel op Indonesische mannen. Ik niet. En ik wilde zeker geen man die, net als ik, geadopteerd was. En moet je zien wie je op mijn pad gebracht hebt. Als Tim iets belooft, doet hij het. Hij houdt mij niet voor de gek, heeft geen mooie praatjes, what you see is what you get, ruwe bolster blanke pit. Na meerdere keren happen in een citroen, smaakt mijn leven inmiddels weer naar honing. Ondanks dat je er niet meer bent, ben ik een gezegend mens. Want twee zulke grote liefdes hebben is een groot goed. Ik had jullie graag aan elkaar voorgesteld. Want jij, mijn liefste Fred, zal altijd in mijn leven zijn.  

 Ik ga slapen, lieverd. Tot morgen. Welterusten.  

*

Deze vertelling van Sumi Kasiyo is geschreven door Ranjith Postma. Sumi en Ranjith kennen elkaar uit allerlei adoptie-Facebook-groepjes. Zij is geadopteerd uit Indonesië, hij uit Sri Lanka. Zij spreekt Fries, hij Gronings en beiden hebben ze dat zesde zintuig dat hen vaak goed van pas komt maar even zo vaak flink in de weg zit. 

 

•••

Adverteren op Gaykrant en daarmee onafhankelijke journalistiek met een regenboograndje mogelijk maken?

Klik hier voor meer informatie!

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.