‘Voor het eerst was iemand verliefd op me’ | Sjef uit Dokkum

Toen ik 56 was werd er voor het eerst van mijn leven iemand verliefd op me. Hij kwam als broeder van de thuiszorg bij mijn vader om ‘de steunkousen te doen’. Hij viel, naar eigen zeggen, als een blok voor de zoon van zijn favoriete cliënt. Ik sta perplex van wat er de maanden die volgden met me gebeurde. Was mijn bestaan tot dan toe het toonbeeld van onwrikbare tevredenheid geweest, nu was een beest in me gewekt dat zich – tot overmaat van ramp – niet meer liet kooien.

Redactie: Rits de Wit
Illustratie: Wilbert van der Steen

Als iemand me vroeg of ik niet iets miste in mijn bestaan, zei ik altijd zonder aarzeling nee. En dat meende ik. Ik was altijd rijkelijk behept geweest met een evenwichtig gevoel van tevredenheid, en terwijl ik om me heen veel mensen zag worstelen met onvervulde verlangens, grootse ambities en pittige tegenslagen had ik nooit ergens echt mijn best voor hoeven en willen doen: ik was blij met alles wat het bestaan me op mijn pad bracht. Op mijn 56e had ik een leventje met veel om dankbaar voor te zijn: een prettige baan met een leuk salaris, een nagenoeg hypotheekvrij huisje met een diepe, zonovergoten tuin, prima familie, enkele trouwe vrienden en een paar hobby’s. Tot mijn 42e had ik geen aanleiding gezien om uit de kast te komen: ik was nooit verliefd en niemand was ooit verliefd op mij, mijn seksleven speelde zich – naar mijn volle tevredenheid – af in de beslotenheid van mijn woondomein waar ik wel eens porno keek, maar waar meestal in bed een simpele fantasie van een bloot mannenlichaam me dreef tot een korte wekelijkse masturbatie en een heerlijk slaapopwekkend orgasme. Toen mijn tante me na het feestje van mijn 42e verjaardag vroeg hoe ik toch die homo’s kende die bij mij aan de koffie met taart hadden gezeten, zei ik haar dat zij, net als ik, regelmatige bezoekers waren van het COC. ‘Ben jij dan ook zo?’, had ze gevraagd, waarop ik kortweg ja gezegd had, en daarmee was de kous af.

Flirt

Mijn vader wist het ook, maar sprak er niet over. Ik liet dat zo. Onze band was goed, sinds het overlijden van mam belden we elke avond even en zocht ik hem twee keer per week op, op vaste dagen en tijdstippen. Ik hielp hem met zijn tuin en administratie, waste zijn kleding en bracht hem eens per twee maanden naar zijn zus aan de andere kant van het land. Ik zag veel van hem in mezelf, de neus en het postuur, maar ook de aard: de volledige acceptatie van alles wat komt en gaat, van het hier en nu. Vader had verdriet gehad toen mam stierf maar had zich erna herpakt en zich ogenschijnlijk moeiteloos geschikt naar de nieuwe situatie. Ook het feit dat zijn lichaam hem steeds meer in de steek liet bracht hem niet tot klagen, hij had oog voor de mogelijkheden en nam het groeiend aantal beperkingen voor lief. Toen ik de thuiszorg inschakelde om hem ’s ochtends en ’s avonds wat hulp te komen bieden aanvaardde hij dat in dankbaarheid, hij bood de zusters en broeders koffie aan en gaf ze koekjes mee, hij deelde complimentjes uit over de kwaliteit van de zorg en onthield alle gezichten en bijbehorende namen.

De eerste keer dat ik Abdullah aantrof bij mijn vader had ik een beetje haast. Ik herinner me nog dat hij moeite deed om me aan de praat te houden, deze jonge broeder, terwijl ik alleen even schoon ondergoed kwam brengen en een nieuwe pyjama. Hij vertelde hoe geweldig hij mijn vader vond, zo dapper, zo bereid tot medewerking, zo attent en beschaafd. Ik keek naar de pratende, lachende mond van de broeder met het kleine witte gebit en de volle lippen. Ik keek in de donkerbruine ogen en zag iets wat ik nooit eerder gezien had, althans nooit in het echt: een bewonderende blik, een flirt, een nieuwe vorm van aandacht.

‘Ik pakte hem uit en kuste hem, onhandig en plotseling verlegen’

Broederhanden

Ik herkende zijn stem direct aan de telefoon, om te melden dat mijn vader gevallen was, niks ernstigs maar toch, en er was met de val een vaas gebroken maar vader zelf was nog heel zei hij, met een kirrend lachje. Ik zag de mond weer voor me in het benige gezicht en lachte terug.

Onze eerste privé-ontmoeting was in een bloemenwinkel, waar ik een bosje voor mijn vader en hij een voor zichzelf kocht en we even bleven staan om te praten. Hij had een vrije dag, alle tijd en geen plannen, dus ik durfde het aan hem op de koffie te vragen. Ik weet niet wat me bezielde, maar in plaats van te vragen of hij een koekje wilde vroeg ik hem direct mee naar boven, ik pakte hem uit en kuste hem, onhandig en plotseling verlegen, hij kuste heftig terug en pakte me vast, tussen de bedrijven door zei hij dat hij me mooi vond, terwijl ik hém juist zo mooi vond, zijn zachte billen, zijn onder pikzwart haar bedolven tepels, zijn jonge smalle schouders en broederhanden, zijn dikke zaad op mijn buik.

Daarna was ik drie dagen duizelig. Ik was de draad kwijt, stootte overal mijn hoofd, kon slecht in slaap komen en maakte voor het eerst fouten op mijn werk. Mijn lichaam voelde vreemd, maar voor het eerst keek ik in de spiegel naar mijn borst en zag hoe fraai gewelfd die eigenlijk is.

Abdullah bedolf me. Onder berichtjes die ik niet altijd meteen las omdat het er te veel waren. Onder zijn niet aflatende bewondering. Als hij geen late dienst had kwam hij langs, soms even een kus brengen, soms een bloem of een witte bonbon, maar meestal zijn hele heerlijke blote hebben en houwen; dan bedreven we de liefde alsof ons leven ervan afhing. Als we elkaar bij vader zagen deden we alsof we elkaar alleen maar als zorgverlener/zoon-van-zorgvrager kenden, we maakten er een parodie van, maar vader had niets in de gaten, of hij deed alsof.

‘Ik had dit prachtige avontuur het liefst niet meegemaakt’

Beloftevolle nacht

Het ging maar door, alsof ik nooit eens hoefde op te laden, uit te rusten; ik werkte, at en beminde, pa sloeg ik wel eens over als ik wist dat Abdullah daar niet zou zijn, maar vader klaagde nooit. Na een kleine drie maanden kwam de onvermijdelijke klap. Op een maandagavond, ik had me klaargemaakt voor een beloftevolle nacht, stapte Abdullah binnen met een blik die ik niet van hem kende. Hij kuste me vluchtig, gaf me de sleutel van mijn voordeur en een envelop, draaide zich om en verdween. Ik begreep niets van zijn afscheidsbrief, het leek nauwelijks op het prima Nederlands dat ik van hem gewend was, ik kon de helft niet lezen, de interpunctie ontbrak, woorden waren verhaspeld, in mijn paniek kon ik eigenlijk niets meer begrijpen, behalve de strekking van dit alles, dat Abdullah naar ‘zijn land’ terugging en dat ik eigenlijk niets van deze jongen had geweten.

Ik herinner me dat ik me ziek meldde en vier dagen aan één stuk sliep. Omdat ik uitgeput was en de realiteit niet aankon.
Het is al bijna twee jaar geleden, ik ken nu het verhaal achter het vertrek van Abdullah, soms skypen we even. Hij is inmiddels getrouwd met een gesluierd meisje en hun kind is op komst.

Nu ik dit opschrijf maakt zich het grote verlangen weer in alle hevigheid van me meester en realiseer ik me dat het gek klinkt als ik zeg dat ik dit onvoorstelbare avontuur het liefst niet had meegemaakt. Toch denk ik vaak: er is met Abdullah een beest in me gewekt dat zich – tot overmaat van ramp – nooit meer heeft laten kooien. Sindsdien doet het leven pijn.


Wil jij jouw verhaal over een jammerlijk mislukte relatie ook in deze rubriek? Neem contact met ons op via: info@degaykrant.nl

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.